
Is het toeval of is het een trend? Het laatste jaar zag ik maar liefst drie tentoonstellingen die poëzie centraal plaatsen. Ook Metamorfosen, de nieuwste tentoonstelling in het Rijksmuseum, verkent de poëzie van Ovidius als inspiratiebron voor kunst. En Poetry of the People in het Wereldmuseum te Rotterdam verkent de rol van poëzie in samenlevingen in West-Azië en Noord-Afrika. Jammer genoeg kan ik momenteel niet naar Nederland afreizen, maar ik overloop hieronder de drie tentoonstellingen die ik wel zag.
Het is zondag op zee!

Wat trekt ons toch steeds weer naar zee? Dat is de vraag die centraal stond in deze tentoonstelling georganiseerd door Mu.ZEE. Die vraag werd verkend aan de hand van het gedicht Vers la mer van Emile Verhaeren uit 1899, dat als een rode draad door de expo liep, en het begin van
Mu.ZEE’s collectie – rond 1880 – verbond met vandaag.
Op zich vond ik het een originele manier om via poëzie de vaste museumcollectie te presenteren in een nieuwe tijdelijke tentoonstelling. Maar het gedicht zelf resoneerde niet echt bij mij. Het begin is mooi, maar het gedicht is erg lang en op sommige momenten behoorlijk hoogdravend. Toch heb ik genoten van deze tentoonstelling. Wie houdt nu niet van zeezichten gepresenteerd in een zaal met zicht op zee?
Ik ben verticaal (maar liever was ik horizontaal)

In feite is deze tentoonstelling een verjaardagsfeest: iMAL viert haar 25-jarige bestaan met een denkoefening over de geschiedenis en toekomst van digitale culturen: kunnen digitale culturen in plaats van te groeien ten koste van planetaire grenzen, die grenzen omarmen? Op die vraag zocht iMAL een antwoord met de tentoonstelling Ik ben verticaal (maar liever was ik horizontaal), vernoemd naar Sylvia Plath’s gedicht I am vertical. Hierin verbeeldt Plath de kloof tussen haar menselijke verticaliteit en haar diepe wens om horizontaal te zijn, in harmonie en verbondenheid met de natuur.
Wat had kunnen ontaarden in museaal navelstaren, is een introspectieve en vooral ook speelse tentoonstelling geworden. En ik ben fan! Sylvia Plath’s gedicht is prachtig, en iMal heeft – zoals ze zo vaak doen – een toptentoonstelling gemaakt. Alleen is de link tussen poëzie en tentoonstelling niet evident, en dat maakt deze tentoonstelling misschien minder toegankelijk. Maar zelf hou ik er wel van dat niet meteen alles duidelijk is.
De protea is geen bloem

Op reis in Zuid-Afrika ging ik naar Zeitz MOOCA, Museum of Contemporary Art Africa. Daar bezocht ik de tentoonstelling ‘A protea is not a flower‘, omdat de titel me intrigeerde. Ik had namelijk nog maar net de Botanische Tuin van Kaapstad bezocht, en had daar de protea gezien, een bloem die bijna alleen maar te vinden is in Zuid-Afrika en die dan ook beschouwd wordt als een nationaal symbool. De titel van de tentoonstelling bleek te verwijzen naar een gedicht van de Zuid-Afrikaanse auteur en activist Don Mattera, waarin hij via de metafoor van deze nationale bloem kritiek levert op patriottisme, kolonialisme en apartheid.
Ook dit was niet bepaald een ‘gemakkelijke’ tentoonstelling: er was toch wat voorkennis verreist die ik als toerist miste, de associaties tussen het gedicht en de andere kunstwerken waren ook hier niet altijd voor de hand liggend, en de expo bevatte expositiestukken (zoals archiefdocumenten) die visueel minder aantrekkelijk zijn. En toch was ik diep onder de indruk. Ik kreeg historische vragen en bedenkingen mee die mijn reis verrijkten en verdiepten.
Poëzie in tentoonstellingen biedt ruimte voor reflectie
Met deze drie museumbezoeken in het achterhoofd, ben ik helemaal gewonnen voor het gebruik van poëzie in tentoonstellingen. Er zijn natuurlijk best wel enkele nadelen aan verbonden: niet alle gedichten resoneren bij iedereen, poëzie is niet altijd even toegankelijk, en vaak is de relatie tussen het gedicht en de andere kunstwerken niet rechtlijnig en daardoor moeilijk te vatten. Dat maakt het voor mij als publiekshistorica geen evidentie. Want willen we niet net zoveel mogelijk mensen meenemen in onze (historische) tentoonstelling?
Tegelijkertijd biedt poëzie ook ruimte voor reflectie. Het kan dienen als vertrekpunt (‘Ik ben verticaal’), aanklacht (‘De protea is geen bloem’) of als leidraad (‘Het is zondag aan zee!’). Niet-begrijpen hoeft niet per se een afknapper te zijn, maar kan juist een poort zijn naar nieuwsgierigheid en verwondering. Jozef Deleu, dichter en oprichter van het poëzietijdschrift Het liegend konijn, zei het mooi: “Gedichten zijn aandragers van dromen en ideeën.” Ook musea zijn, voor mij, aandragers van dromen en ideeën. Poëzie in tentoonstellingen biedt ruimte voor reflectie en verdieping. Daar hebben we in onze huidige samenleving allemaal nood aan, toch?
